René en Willy 70 jaar oud: over de broederband in de jaren zeventig

Artikel
René en Willy 70 jaar oud: over de broederband in de jaren zeventig

De enige voetbaltweeling die ooit een WK-finale speelde, werd groot bij PSV. René en Willy van de Kerkhof, vandaag beiden 70 geworden, werden in 1978 wereldberoemd. Hun sterke onderlinge band floreerde binnen het elftal dat halverwege de jaren zeventig onder leiding van Kees Rijvers uitgroeide tot een hechte eenheid, die PSV internationale roem bezorgde.

De familieband is voor de broertjes Van de Kerkhof van jongs af aan een levensthema. Nu zijn ze 68 jaar oud, maar ze waren pas vier toen hun vader Rein overleed na een auto-ongeluk. “Wij hebben eigenlijk nooit een vader gehad”, vertelt René. “En ons moeder overleed toen wij 23 jaar waren. Dus dan valt er veel weg.” Ze groeiden op als nakomertjes in een gezin met drie zussen en hun broer Gerard, die negen jaar ouder is. “We zijn eigenlijk opgevoed door onze zussen. Zij hadden alles voor ons over en wij waren eigenwijs, deden alles wat God verboden had.”

Het gezin Van de Kerkhof woonde aan de Engelseweg in Helmond. Een huis met drie kleine slaapkamers. “Op de ene lag ons moeder, op de tweede de zussen en wij met drieën op een ander kamertje van een paar vierkante meter.” Op hun achttiende belanden de twee broers in de zomer van 1970 bij FC Twente, waar Kees Rijvers hun trainer wordt. Een sleutelfiguur in hun levens. “FC Twente meldde zich bij ons moeder met de mededeling dat ze mij graag wilde hebben. Maar zij zei: ‘U weet toch wel dat het een tweeling is?’ Rijvers zei heel eerlijk: ‘Ik weet niet wat ik met Willy aan moet’. Ons moeder moest voor ons het contract tekenen en zei: ‘Twee of geen.’ Zo is het gegaan.”

Willy en René kennen een moeizame entree bij FC Twente. De eerste wordt in het B-elftal geplaatst en de tweede komt al snel in opspraak bij Rijvers. “Hij wilde liever niet dat ik die zomer zou meedoen aan het eindtoernooi van de UEFA-jeugd in Schotland. Maar ik dacht: die kans krijg ik nooit meer, dus ben ik toch gegaan. Rijvers zei dat ik dan voorlopig niet in het eerste zou spelen, maar in een wedstrijd tegen Union Teplice had hij me vanwege allerlei blessures toch nodig. We wonnen met 2-0 en ik maakte allebei de doelpunten. Daarna ben ik er nooit meer uit geweest.”

Ook Willy debuteert sneller dan verwacht. “In het begin speelden onze Wil en ik als buitenspelers, hij links en ik rechts of andersom. Maar toen Eddy Achterberg door een beenbreuk wegviel, moest onze Wil ineens op het middenveld spelen. Dat bleek dé oplossing. Ergens was Rijvers een stijfkop, maar als hij zag dat het beter was voor het team was hij ook wel flexibel. We waren allebei nogal eigenwijs.”

FC Twente vormt een familieteam, waar de Helmondse tweeling zich al snel veilig en vertrouwd voelt. “Ik woonde dat eerste jaar in mijn eentje bij een ouder echtpaar”, vertelt René. “Dan ga je nog weleens op stap. Rijvers hield dat allemaal in de gaten. Zo gauw we een voet buiten de deur zetten, wist die kleine dat. Hij had overal zijn informanten.”

De trainer hamert erop dat jonge spelers vroeg moeten trouwen. “Hij wilde dat we vastigheid thuis hadden en niet als eenling in zo’n stad woonde.” Willy trouwt al op zijn achttiende, René wacht nog een jaartje.

Bij PSV zet Rijvers zijn filosofie tussen 1973 en 1980 voort. Naast Ralf Edström zijn de twee Van de Kerkhofjes de eerste aankopen onder zijn leiding. Teambuilding vormt de basis onder een sterke eenheid. “We hadden natuurlijk maar zestien spelers, van wie er twaalf een plek in het basiselftal konden hebben. De anderen waren echt reserves. Tegenwoordig hebben ze het dubbele aantal. Als er toen problemen waren, kon je dat met elkaar snel oplossen. Rijvers was daar heel scherp op. Ook als er thuis eens iets speelde met de kinderen of andere familieleden stuurde hij je gerust weg van de training. Hij vond het heel belangrijk dat de privésituatie stabiel was. Rijvers kende onze situatie natuurlijk goed, zeker nadat ons moeder in 1976 overleed. Daar was hij zeer mee begaan, maar dat gold voor elke speler. Rijvers had voor iedereen tijd.”

Zo groeit PSV al snel uit tot een hechte eenheid. Al is Rijvers samen met manager Ben van Gelder ook wel zo slim om iedereen naar waarde te schatten. Er komt een Premie Salarisregeling voor de vijf beste spelers: naast de broertjes Van de Kerkhof zijn dat Jan van Beveren, Willy van der Kuijlen en later Adrie van Kraay. “Die jongens kregen na elke zes wedstrijden een extra premie op basis van de plek op de ranglijst. Hun gedachte was: jullie moeten de kar trekken, dus jullie zorgen er maar voor dat we zo hoog mogelijk staan. Dat kon toch aardig oplopen tot 25.000 gulden per jaar. De andere spelers wisten daar niks van. Je zou denken: iedereen moet hetzelfde hebben, maar het was ook niet zo dat alle salarissen gelijklagen. Dat werkte goed, al is het ook niet zo dat er nooit onenigheid was. Ik heb zelf een keer met Huubke Stevens rollebollend op het veld gelegen. Dan stuurde Rijvers ons weg en zei alleen: ‘Gaan jullie het verder maar uitvechten in de kleedkamer, ik bemoei me er niet mee’. En de volgende dag was het weer over.”

“Als iemand eens iets verkeerds deed, dan corrigeerden we elkaar wel. Ik weet nog dat Jean Willrich werd gekocht. Een Duitser, die binnenkwam en niemand een hand gaf. Rijvers voelde dat perfect aan en zette Stevens tijdens de training in de mandekking op Willrich. Hij raakte hem overal waar ie maar kon. De volgende ochtend stelde hij zich netjes aan iedereen voor… Kop indrukken, klaar.” Ook René heeft zo zijn nukken. “Ik zat nog weleens te laat in de stad, omdat ik dat ontspannen vond. Maar daar werd ik wel op aangesproken door de anderen, omdat ik ook voor hun centen speelde. De enige die zich daarvan afzijdig hield, was De Kuil. Die was te lief en vond het nogal gauw goed. Ik heb ook altijd gezegd: als De Kuil mijn mentaliteit had gehad, was hij beter geworden dan Cruijff.”

Zijn eigenzinnigheid brengt René ook veel succes. “Toen ik voor de eerste keer bij het Nederlands elftal kwam, stond er een tafeltje waar Cruijff, Krol, Suurbier en Van Hanegem aan zaten. Ik kwam voor het ontbijt naar beneden en Cruijff was er nog niet. Dus ging ik aan dat tafeltje zitten. Suurbier zei: ‘Daar zit Cruijff’. Ik kijk achterom, nergens geen Cruijff te bekennen. Als ik op dat moment opsta en wegloop, word je voor altijd gepiepeld. Dat zou De Kuil nooit hebben gedaan. Als je tegen hem iets zei op wat te luide toon, stond ie op met een wegwerpgebaar.” Rond wedstrijden in het buitenland liggen de broertjes Van de Kerkhof nooit met elkaar op een kamer. René is ‘het slapie’ van doelman Jan van Beveren. “Wij waren echt maatjes en hadden veel lol samen. Als we na de wedstrijd op stap gingen, was De Beef nog eerder beneden dan ik. Ben van Gelder kwam ooit vertellen: als je vanavond de deur uitgaat, neem dan niet de lift want daar zit die kleine te wachten. Voor Van Gelder gold alleen dat we de volgende ochtend op tijd bij de bus moesten zijn.”

Het succesteam uit de jaren zeventig heeft een sterk Brabants accent. Met Adrie van Kraay en Harrie Lubse uit Eindhoven, Willy van der Kuijlen en de broertjes Van de Kerkhof uit Helmond, Kees Krijgh uit Den Bosch en Gerrie Deijkers – net als Rijvers – uit Breda. Daarnaast werd Huub Stevens geboren in Limburg, Jan Poortvliet in Zeeland en Ernie Brandts in Gelderland. Jan van Beveren kwam uit Amsterdam, maar groeide op in Drenthe en Ralf Edström in Zweden.

In die jaren groeit PSV uit tot een internationale topclub, die tussen de twee WK-finales (1974 en 1978) het Nederlandse voetbal domineert en de hegemonie van Ajax en Feyenoord doorbreekt. Dat levert drie landstitels, de KNVB Beker en de UEFA Cup op. “Ajax en Feyenoord waren natuurlijk top, maar ik denk dat wij een hechter en stabieler team hadden. We vormden echt een leuke vriendengroep, hadden alles voor elkaar over en kwamen geregeld bij elkaar thuis voor verjaardagen en zo. Er heerste een familiegevoel, dat iedereen enorm aansprak. Mevrouw Rijvers speelde daarin een belangrijke rol. Zij zorgde ervoor dat ook de vrouwen goed met elkaar omgingen, waardoor er een hechte band ontstond.”

De onderlinge saamhorigheid vertaalde zich in het veld. “Wij speelden heel modern voetbal voor die tijd. Rijvers stemde al onze kwaliteiten goed op elkaar af. Met veel positiewisselingen en de opkomende backs Krijgh en Deijkers. We namen de trend van Ajax over. Iedereen wist precies wat we aan elkaar hadden en maakte zich ondergeschikt aan het geheel. Van Kraay regelde het qua organisatie in het veld, Stevens schakelde zijn man uit en Poortvliet stond op de spelmaker van de tegenstander.”

“Er was in die eerste jaren niet één speler met vedetteneigingen. Later werd dat minder. Onze Wil ging ineens lange passes over dertig of veertig meter geven, omdat ie ook graag wilde laten zien dat ie goed kon voetballen. En zo waren er meer. Maar onze Wil besefte al heel snel dat hij terug moest naar zijn kwaliteiten. Bal afpakken en inleveren bij Van der Kuijlen of Cruijff, in het Nederlands elftal. Om die kwaliteiten wilde Cruijff hem erbij hebben.”